Er staat nog wel iets op internet betreffende Oldebroek.
E
r blijkt dat Jan Schrijver in 1738 een hofstede koopt in het dorp [Oldebroek] van Jannis Brouwer Smit en vrouw. Hij verplicht zich daarvoor in april 1739 een schuldbekentenis uit 1734 van vierhonderd gulden door Jannes Brouwer en zijn vrouw Jakomina Arents aan rademaker Gerrit Koertsen en diens vrouw Jannighjen Hendricks, te betalen. Deze lening is uiteindelijk in februari 1761 afgelost.
Eind augustus 1741 laat Gerrit Coertsen door de onderschout beslag leggen op de roerende en onroerende goederen van het echtpaar Jan Schrijver en Henrickjen Jacobs van Cleeff. Dit beslag dient om betaling te krijgen van een hoofdsom van vierhonderd Carolusgulden conform een obligatie die op 21 april 1739 is opgsteld. De lening is inmiddels aan hen opgezegd. Het beslag dat onderschout Barent Dijck legt op de onroerende goederen is gebeurt in bijzijn van twee gerichtsluiden, te weten Henrick Hermsen Vincke en Willem Vincke. [De laatste is de gerichtsdienaar van Oldebroek]
Vermoedelijk is deze 'panding' de oorzaak van het conflict tussen Gerrit Coertsen en Jan Schrijver in 1743, waarbij zij het letterlijk met elkaar aan de stok krijgen. Jan Schrijver moet opdraaien voor alle gemaakte kosten van de beslaglegging.
Evert Jansen Schriever (Schrijver), zoon van Jan Schrijver, is in 1778 eigenaar geworden van de hofstede in het dorp en blijkt deze in 1811 nog in bezit te hebben.
Hier volgen de akten en uitleg.
FS Oldebroek/Verpondingskohieren, 1546-1811
Gelders Archief, toegang 0012 Gelderse Rekenkamer, invnr 1364: Tijnsboek Oldebroek 1706-1754
Verpondingskohieren bk. 1364 1706-1754
Scan 17 Folio 12recto
Jacob Cornelissen op den hogenbrinck 1736
Jacob Henricksen schoenmaker 1723
Item Hendrick Jacosen Schoenmr int Oldebroeck
Geerft van Jacob Dircx Soenen van een hoffstede in’t Dorp
-1-8
:-: -14 III d gb
Manet IIII d
1706.7.8. t/m 1754
Jan Schrijver in ’t Oldebroek
Jannis Brouwer Smit in t Oldebroek neemt van de bovenstaende post van Jacob Schoenmaker wegens d’hoffstede ---III d
:-:-10
33.34.35. t/m 1754
Idem Verpondingskohieren bk. 1380 1785-1811
Gelders Archief, toegang 0012, archief Gelderse Rekenkamer, invnr 1380: Tijnsboek Oldebroek 1785-1811
Scan 18 Folio 12recto
Everd Jansen Schriever 1778.
Jan Schrieffer 1758.
Jan Cornelissen op den Hogenbrink 1736
Jacob Hendriksen Schoenmaker 1723.
Item Hendrik Jacobs Schoemr in ’t Olden-
broek geërft van Jacob Dirks Schoem=r
van een Hofsteede in ’t Dorp VI d
:-1-8
“- : -14 manet VII d
1760.91.92. t/m 1811
nr 1979
Evert Jansen Schriever 1778
Jan Schrijver in ’t Oldebroek 1738
Jannis Brouwer Smit in ’t Oldebroek neemt
van bovenstaande post van Jacob Schoen-
maker wegens d’Hoffsteede
:-:-10 III d
1790.91.92 t/m 1811
Nr 1980
Oldebroek. Protocol van bezwaar. Bk. 48 1666-1745 (FS) Film 885513 DGS 8983554
Afbeelding 292 van 420
Wij Jannes Brouwer en Jakomina Arents in desen soo nodig geassisteert met mijn voorn. man mij hiertoe verkoren momber beknnen opreghtelick en deugdelick schuldigh te wesen wegens verstrekte en bij ons tergenoege ontfangene penningen aen Gerrit Koertsen en Jannighjen Hendricks Coops Echteluijden en haire Erffgenaemen een somma van vierhondert Caroli guld: belovende van de selve jaarlicks en alle jaire te verrenten vier gelijcke guldens…Eodgh is wel expres over een gekomen, dat wij de debiteuren het voorn. Cappitael ’s jaerlicks sullen mogen verminderen met hondert gulden; …en tot meerder corrobaratie en securiteit van de crediteuren is hier voor vern. Somme van vierhondert guldens en verlooppene intressen burge geworden Jan Groen, om in cas van noot daer alle schaede en interesse op toe kunnen verhaelen… In waerheijt Oirconde hebben wij debiteuren als principaelen en Jan Groen als borge deses onder argh off list met onse handen onderteeckent. Geschiet int Oldebroeck op den vijffden augustus 1700 vier en dartigh. (:onderstonde

Johannes Brouwer + dit is Jacomijn Mercks
Dese obligatie is geprotocolleert den 15 april 1735
[in margine] dese tegenstaande obligatie is door mij onders. gerojeert vermits Gerrit Coertsen bekent daar van voldaan te sijn. Datum Oldebroek den 23 Febr 1761 B. Dijk secretaris vant Oldebroek
Afbeelding 347 van 420
Bekenne wij ondergeschreven Jan Schrijver en Hendrickjen Jacobs Eheluiden opregt en suiver schuldigh te zijn aan Gerrit Coertsen en Jannighjen Hendriks Echteluiden een somma van vierhondert Car. Guldens gesproten uijt den coopspenningen van ’t Huijs bij ons van Johannes Brouwer en vrouw gekoft en door haar aen ons gequiteert, ten eijnde wij aen voorschr. Gerrit Coertsen en vrouw de bovengemelde summa soude opleggen en voor hun betalen een seekere obligatie den 5 aug: 1734 gepasseert die door desen werd verrigtigt en ook in onse presentie aan Johannes Brouwer weder is overgegeven, Belovende wij onderschreven dese vierhondert guldens selffs schuldigh te zijn aan gemelte Gerrit Coertsen en Jannigjen Hendricks Echteluiden en haar Erven en daar van des ’s jaers tot interesse van yder hondert gulden te betaelen vier gl: tot effective off losse toe, die alle Jaer sall mogen en moeten geschiedenis, mits de opsage een vierendeels Jaars voor den verschijnsdagh gedaan zijn, tot nacominge van alles en securiteit van voorschr. Capitaal en rente verbinden wij onsen personen, Erven en goederen met substitutie aan ’t Hoff van Gelderland en alle andre Gerichten, onde rrenuntiatie van alle uytvlugten en bedenckelijcke Exceptien. Des t Oirconde is dese bij ons selff geteeckent in Oldebroeck op den 21 april 1739 (:onderstonde : ) Jan Schrijver Hendrickjen van Cleeff
Registr: den 28 aug: 1741
[in margine] dese obligatie ten versoeke van Gerrit Coerts door mij onders. gerojeert, vermits den selven daarvan bekent voldaan te sijn. Datum Oldebroek den 23 Febr. 1761 B. Dijk secretaris vant Oldebroek
Afbeelding 348 van 420
Memorie voor Berent Dijck onderscholt des Richter Ampts Oldebroeck
Om met consent van den Hoogh Wel Geboren Gestrengen Heere Richter offte de Heere Verw:r Richter des Rigter Ampts voorn. ter instantie van Gerrit Coertsen te peijnden op en aan alle de gerede goederen en bij insufficantse van dien ten overstaan van twee Geerfde Gerigtsluiden op de ongerede goedereen van Jan Schrijver en Henrickjen Jacobs van Cleeff Echteluiden in specie mede op haar huijs en Hoff in den Richter Ampts gemelt kennelijk staande en gelegen, en bij bepeijndens selfs bewoont en gebruijckt wordende; Ten eijnde om aen die bepeijnde Effecten te verhaelen en betalinge te erlangen van vier hondert Carolij guldens Capitaals met de Rente bij de voldoeninge des Capitaals vervallen, vermogens Obligatie op den 21 april 1739 gepasseert en bij bepeijndens selfs geteekent en aan voorschreven debiteuren opgesegt, immers en in omnem eventum, om daer van betalinge te hebben tegens de eerstcomende verschijnsdagh, waertoe als dan de opsage al nogh gedaen werd bij desen alles te meer om dat bepeijndens haere goederen beswaren en asloo sig in desen op doet percul in mora, Edogt alles ter goeder reekening ende in cas van onvermoedelijcke oppositie ten daege dienende quovis melior modo nader en Ampelder te deduceren en te verifiaren cum Expensis.
Ick ondergeschr:n Richter van Oldebroek Qualificere en authorisere mits desen Baren Dijck onderscholt om dese peijndinge te doen en wel ten overstaan van twee geerffde Gerichtsluiiden ten aensien van het ongerede mits van alles relaterende nae behoiren. Actum den 29 aug: 1741
(:onderstonden )
G.C. Bentingh als Richter van het Oldebroeck
Comp: Barent Dijck Onderscholt en relateere de peijndinge op en aan de gerede en ongerede goederen in specie Huijs en Hoff van Jan Schrijver en Vrouw op gisteren gedaan te hebben en wel ten overstaen van twee geerffde Gerichtsluiden Henrick Hermsen Vincke en Willem Vincke ten aensien van het Ongerede; die ten dien eijnde dese acte mede geteekent en gesegelt hebben den 30 Aug: 1741 (: onderstonde : )
R.O. Schrassert V.r Richter van Oldebroeck
Hendrick Harmsen Vincke , Willem Vincke
en was ondersegelt met drie segelen
Compareerde Gerrit Coertsen welcke opbodinge van t bepeijnde gerede pand versogt, oordelen bestadet , pand geveijlt en Coop geboden heefft die gewesen is tot de wethe in conformit van het Lantr. Van Veluwe Cap. 13. Art. 1. Gedaen voor mij Verw:r Richter en Gerichtsluiden Henrick Harmsen Vincke en Willem Vincke op den 30 Aug: 1741
(onderstonden )
Reinier Otto Schrassert V:r Richter van Oldebroeck, H. Harms Vinck, Willem Vinck
(leger stonde)
Hier van de wete gedaan door mij onderschreven volgens het gerede voorhooffs van Jan Schrijver op den 30 Aug: 1741 (: onderstonde)
Barent Dijk Onderscholt
Memorie voor Berend Dijk, onderschout van het Richterambt Oldebroek
Om met toestemming van de hoogwelgeboren, gestrenge heer richter (of de heer plaatsvervangend richter) van het genoemde richterambt, op verzoek van Gerrit Coertsen beslag te leggen op alle roerende goederen van het echtpaar Jan Schrijver en Henrickjen Jacobs van Cleeff. Mocht dit onvoldoende zijn, dan dient er in het bijzijn van twee gerichtsluiden beslag te worden gelegd op hun onroerende goederen, in het bijzonder op hun huis en erf dat in het genoemde richterambt ligt en momenteel door de schuldenaren zelf wordt bewoond en gebruikt.
Dit beslag dient om via deze goederen betaling te krijgen van een hoofdsom van 400 carolusguldens, inclusief de opgelopen rente tot aan de dag van algehele aflossing. Dit is conform een obligatie (schuldbekentenis) die op 21 april 1739 is opgesteld en door de schuldenaren zelf is ondertekend. De lening is inmiddels aan hen opgezegd. Mocht dit onverhoopt nog niet juridisch sluitend zijn gebeurd, dan geldt dit document tevens als de officiële opzegging tegen de eerstvolgende vervaldatum. Dit is des te dringender omdat de schuldenaren hun bezittingen bezwaren, waardoor er direct gevaar bij uitstel (periculum in mora) dreigt. Dit alles is onder voorbehoud van een definitieve afrekening. In het geval van onverwacht protest van de tegenpartij, zal de eis op de rechtszitting op een betere en uitgebreidere wijze worden onderbouwd en bewezen, inclusief een eis tot vergoeding van de proceskosten.
Ik, de ondergetekende richter van Oldebroek, machtig en autoriseer hierbij onderschout Berend Dijk om dit beslag te leggen. Voor het beslag op onroerende goederen moet dit gebeuren in het bijzijn van twee gerichtsluiden, waarna van de hele procedure naar behoren verslag moet worden uitgebracht.
Gedaan op 29 augustus 1741.
(w.g.) G.C. Bentingh, als richter van Oldebroek
Verschenen is Barent Dijk, onderschout, die rapporteert dat hij gisteren [op 29 augustus 1741] beslag heeft gelegd op de roerende en onroerende goederen, in het bijzonder op het huis en erf van Jan Schrijver en zijn vrouw. Wat betreft de onroerende goederen is dit gebeurd in het bijzijn van twee gerichtsluiden te weten Henrick Hermsen Vincke en Willem Vincke. Zij hebben dit document hiertoe mede ondertekend en bezegeld op 30 augustus 1741.
(w.g.) R.O. Schrassert, plaatsvervangend richter van Oldebroek
Hendrick Harmsen Vincke, Willem Vincke
(en het document was voorzien van drie lakzegels)
Verschenen is Gerrit Coertsen, die verzocht om de openbare aankondiging (opboding) van de in beslag genomen roerende goederen (gerede pand). De rechtbank heeft dit verzoek goedgekeurd (oordelen bestadet), waarna de goederen publiekelijk zijn geveild (geveijlt) en er een koopbod op is uitgebracht (Coop geboden heefft). Deze procedure is vervolgens verwezen naar de wettelijke wachttermijn (gewesen is tot de wethe), geheel in overeenstemming met het Landrecht van de Veluwe, hoofdstuk 13, artikel 1.
Gedaan ten overstaan van mij, plaatsvervangend richter, en de gerichtsreiders Henrick Harmsen Vincke en Willem Vincke op 30 augustus 1741.
(ondertekend door)
Reinier Otto Schrassert, plaatsvervangend richter van Oldebroek, H. Harms Vinck, Willem Vinck.
(onderaan de pagina stond geschreven:)
De officiële bekendmaking (wete) hiervan is door mij, de ondergetekende, gedaan aan de voorzijde van het huis (het gerede voorhoofd) van Jan Schrijver op 30 augustus 1741.
(ondertekend door)
Berend Dijk, onderschout
Toegang 2001 Richters in het richterambt Oldebroek, 1564-1811
Invnr 130 Minuten van akten van civiele rechtspraak, 1740-1749
27 september 1743
......... v. R.
contra
G. Coerts en Jan Schrijver beclaagde
J. Schrijver seit, dat mede beclaagde is geweest auteur
van ´t geregt
Dat G. Coerts aen ´t huijs van mede beclaagde
gescholden en uijtgeeijscht heeft, sub A.
Dat beclaagde meester in sijn huijs is
Dat beclaagde sulx oock met ede præsenteert te
verclaren. Contendeert tot absolutie en dat
mede beclaagde in de dubbele boete
art. 3 ref. alwaer heeft laeten liegen
................
G. Coertsen seit, dat Jan
Schrijver tot die condschap
waer op een slag past.
[15v] Dat selfs confesseert dat eerst geslagen
heeft. Sub A artikel 3 verder
Er heeft een ruzie plaatsgevonden tussen G. Coerts en Jan Schrijver. Volgens Schrijver is Coerts de aanstichter van de ordeverstoring. Schrijver zegt dat Coerts bij hem aan huis heeft staan schelden en hem heeft uitgedaagd. Hij benadrukt dat hijzelf de baas in zijn eigen huis is. Hij biedt aan om deze verklaring onder ede te bevestigen. Schrijver eist vrijspraak voor zichzelf en dat zijn mede-beklaagde wordt veroordeeld tot een dubbele boete, omdat deze de boel heeft voorgelogen. G. Coertsen verklaart daarentegen dat Jan Schrijver degene is die aanzet gaf tot de getuigenis, welke getuigenis eigenlijk slaag verdient. Coerts stelt dat Schrijver zelfs heeft bekend dat hij degene is geweest die de eerste klap heeft uitgedeeld.
1743?
90] In sake van Gerrit Coertsen pandeijsser
ter eenre en Jan Schrijver pandverweerder
ter andere zijden, ‘T Gericht gehoord
hebbende ál ‘t geene parthijen ten
aansien van de costen der gedane peijn-
dinge en vervolg van dien
hebben doen allegeren en gelet, dat
geen pandkeringe tegens die bepeijnde intra
terminum is gedaen, voorts waer op in desen
eenigsints te letten stonde doende
recht, rejecteert de exceptie van præmaturiteit,
exces et plus patitionis en condemneert Jan Schrijver
om die selve costen aen pandeijsser te
betalen tot taxatie en moderatie
van de Gerichte. Den selven Jan
Schrijver mede condemnerende in de
costen deser procedure insgelijcx tot taxatie en
moderatie van desen Gerichte
H
et betreft een financieel geschil tussen Gerrit Coertsen en Jan Schrijver. Coertsen heeft beslag laten leggen op goederen van Jan Schrijver om een schuld op te eisen, en Schrijver moet nu opdraaien voor alle gemaakte kosten.
[Pagina 90] In de zaak van Gerrit Coertsen, eiser tot beslaglegging (pandeiser), aan de ene kant, en Jan Schrijver, verweerder tegen beslaglegging (pandverweerder), aan de andere kant:
Nadat het Gerecht alles heeft gehoord wat partijen naar voren hebben gebracht (doen allegeren) over de kosten van de uitgevoerde beslaglegging (peijndinge) en de juridische vervolgstappen daarvan, en nadat het Gerecht heeft vastgesteld dat er binnen de wettelijke termijn (intra terminum) geen verzet (pandkering) is aangetekend tegen de beslaglegging, en na weging van alles wat in deze zaak verder van belang is;
Spreekt het Gerecht recht:
Het Gerecht wijst de bezwaren (excepties) van Jan Schrijver af waarin hij beweerde dat de procedure te vroeg is gestart (præmaturiteit) en dat er te veel is geëist (exces en plus-petitio).
Het Gerecht veroordeelt (condemneert) Jan Schrijver om deze kosten van de beslaglegging aan de eiser [Gerrit Coertsen] te betalen. De exacte hoogte hiervan zal door het Gerecht nader worden vastgesteld en redelijk worden begroot (taxatie en moderatie).
Daarnaast wordt Jan Schrijver veroordeeld in de kosten van deze huidige rechtszaak (de proceskosten), welke eveneens door dit Gerecht nader zullen worden begroot.
1743?
[98] ‘T Gericht gehoord hebbende de clagte van
den heer verwalter Rigter nomine officii clager
ter eenre op en tegens Gerrit Coertsen en
Jan Schrijver beclaagdens ter andere sijden,
Ter oirsake quæstie gehad hebben en met een
stok geslagen is, en gelet wat beclaagdens
tot hare defensie hinc inde tegens malcander
hebben doen allegeren als mede op de
præsentatie van ede van Jan Schrijver doende recht ab-
solveert Jan Schrijver en condemneert
Gerrit Coertsen in 2 heeren ponden.
[
Pagina 98] Het Gerecht heeft de klacht gehoord van de heer waarnemend rechter (verwalter richter) in zijn ambtelijke hoedanigheid (nomine officii) als eiser aan de ene kant, tegenover Gerrit Coertsen en Jan Schrijver, beklaagden aan de andere kant;
Dit vanwege het feit dat zij ruzie (een quæstie) hebben gehad waarbij er met een stok is geslagen.
Gelet op wat de beklaagden over en weer (hinc inde) tot hun verdediging tegen elkaar naar voren hebben gebracht, en tevens gelet op het aanbod van Jan Schrijver om zijn verklaring onder ede te bevestigen;
Spreekt het Gerecht recht:
Het Gerecht spreekt Jan Schrijver vrij (absolveert) en veroordeelt (condemneert) Gerrit Coertsen tot een boete van 2 herenponden.