H. Bouwman, Gereformeerd kerkrecht II (kerkrecht.nl):
https://kerkrecht.nl/node/2727/
h. Welken leeftijd moet iemand bereikt hebben, vóór hij kan gaan ten avondmaal? In de Grieksche kerk worden zelfs kleine kinderen toegelaten, doch ieder is van zijn zevende levensjaar af verplicht, jaarlijks eenmaal de eucharistie te ontvangen 2). In de Roomsch-Kathol. kerk 3) heerschte vroeger de gewoonte, dat de kinderen niet voor het tiende levensjaar, in noordelijke streken het 14e levensjaar, toegelaten werden tot de heilige communie, omdat zij eerst dan de volle beteekenis van het sacrament konden verstaan. Deze practijk is door het decreet „Quam singularis” terzijde gesteld, terwijl het voorschrijft dat men de kinderen, wanneer zij tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, tot de communie moet brengen. Diensvolgens hebben de nieuwere diocesaanverordeningen het 8e-10e levensjaar als regel gesteld voor het ontvangen van de eerste communie. In doodsgevaar moet de eucharistie aan de kinderen nog op jonger leeftijd worden bediend na een korte onderwijzing, wanneer zij het zevende levensjaar, het jaar van onderscheid, op welken zij ook tot het sacrament van de boete en het laatste oliesel toegelaten zijn,
1) Dr A. Kuyper, Onze Eeredienst, bl. 442.
2) N. Milasch, Das Kirchenrecht d. Morgenl. Kirche, § 172.
3) F. Heiner, Kathol. Kirchenrecht, 1913, II. 293.
|384|
hebben bereikt. In de Luthersche kerk 1) is de confirmatie eene plechtige, hoewel niet sacramenteele handeling, waarin de jonge leden de doopsbelofte vernieuwen, en na handoplegging gezegend tot het avondmaal worden toegelaten. Doorgaans geschiedt de confirmatie na volbrachten veertienjarigen leeftijd, na volbracht schoolonderwijs en het bijzonder godsdienstonderwijs. Calvijn stelde den leeftijd voor de toelating tot het avondmaal op 14 jaar. Ook a Lasco deed dit. Wie op zijn veertiende jaar niet wel onderwezen is in de christelijke religie, die werd vermaand. Waren de ouders de schuldigen, dan werden deze eerst vermaand. Hoorden de kinderen niet naar de vermaning, dan werden zij niet toegelaten tot het avondmaal en bij hardnekkig volharden in het kwaad werden zij afgesneden van de gemeente 2).
Over het algemeen hebben de Gereformeerden geen bindende bepalingen hiervoor gemaakt, omdat de kerk elk persoon afzonderlijk moet beoordeelen. In het algemeen werd wenschelijk geoordeeld, dat de leeftyd niet te vroeg moest worden gesteld, omdat kennis van de hoofdwaarheden der christelijke religie noodig is, en niet te hoog of te laat, alsof daarna geen onderwijs in de religie meer noodig zou zijn. Dit blijkt wel daaruit, dat de leerboeken der kerk b.v. de Heidelb. Catechismus volstrekt niet alle leerstukken der confessie behandelen, althans in extenso, maar dit alleen met het oog op het avondmaal spreekt van ellende, verlossing en dankbaarheid. De leeftijd van 14 jaar werd in den regel als de laagste gesteld, omdat de leeftijd van 14 à 15 jaar de grens was voor den kinderdoop.
In de 18e en de 19e eeuw is de leeftijd hoe langer hoe later gesteld, en wel onder den invloed van het piëtisme en het quiëtisme, dat een verhaal van de bekeering eischte, van het rationalisme, dat als eisch stelde, dat ieder christen een rationeel bewijs van het christendom kon geven, en van de Aufklärung, dat de gedachte propageerde, dat ieder kind vrij moest kiezen uit alle godsdiensten, en dus niet vroeg zich moest binden.
Belijdenis doen op zeer jongen leeftijd is als regel af te keuren. Op den leeftijd van 13-15 jaar is het oordeel niet rijp en de kennis niet gedegen. De gewoonte van den reformatie-tijd, welke nog in sommige landen gevolgd wordt, heeft tot verval der kerk aanleiding gegeven.
Als regel mag wel de leeftijd van 17-21 jaar gesteld worden als de meest aangewezen tijd voor het afleggen der geloofsbelijdenis 3). Het is goed dat iemand jong belijdenis doet, omdat hij daarmede zich nauw aan de kerk verbonden gevoelt, omdat hij zich bewust geeft onder de kerkelijke tucht, en dit mede als teugel kan dienen voor een ingetogen
1) Richter en Dove, Het Kath. en Ev. Kerkrecht, 1876, bl. 801, 802.
2) Micron, Christel. Ordin., 1554, bl. 63-68.
3) Dr T. Hoekstra, Psychologie en Catechese, bl. 53.
|385|
en christelijk leven.