Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Alles wat met genealogie te maken heeft.
BUTTON_POST_REPLY
ria jongman
BerichtenCOLON 3907
GeregistreerdCOLON 14 Okt 2021, 19:30

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door ria jongman » 27 Sep 2026, 11:14

Juist. Dat was ook mijn redenatie. Halfzussen en broers kunnen wel erfgenaam zijn maar dan moeten ze vermeld worden in een testament. Maar volgens de wet dus niet automatisch.
Punt is wel dat jouw Janna van Zwolle komt. Oldebroek ligt wel aardig dicht tegen Zwolle aan, delen van Hattemerbroek is ook Oldebroek, toen al en nu weer opnieuw

Michiel van Heumen
BerichtenCOLON 281
GeregistreerdCOLON 26 Jan 2026, 18:51

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Michiel van Heumen » 27 Sep 2026, 11:49

corr

Verder zoeken in een boek dat in mijn eigen boekenkast staat en op internet levert een ander beeld op hetgeen ik op 27 september 2026, 11:02 , heb vermeld.

A.S. de Blécourt, Kort begrip van het oud-vaderlandsch burgerlijk recht, 5e druk 1939, p. 483-484, 489-490
Op de Veluwe gold aasdomsrecht of beter aasdomserfrecht. Er werd recht gesproken door schout, asing en geburen, en niet zoals bij schependomserfrecht door schout en schepenen. Het aasdomserfrecht ging volgens een gradueel stelsel. Het gold benoorden de Hollandse IJssel. [in Gelderland bestond aasdomserfrecht, specifiek op de Veluwe -ook in ambt Oldebroek-het landrecht van Veluwe]. Bij het oude aasdomserfrecht ging de nederdalende lijn vóór de opgaande lijn en deze vóór de zijlijn. In elke lijn sloot de naaste bloedverwant des erflaters den verderen uit. Ook lette men er in het aasdomsrecht niet op, van welke zijde het goed was gekomen, zodat een kind dat zijn vaders erfenis had ontvangen, deze deed vererven op zijn moeder en niet op zijn broers en zusters. Halve broeders en zusters des erflaters erfden in het oude aasdomsrecht als volle. Er was geen representatie; van daar het adagium: 't naaste bloed erft het goed. Een gradueel stelsel dus. Maar dit stelsel gold niet absoluut. Immers er was een volgorde der lijnen: eerst erfde de neerdalende, dan de opgaande, dan de zijlijn des erflaters. En dan ging in elke lijn volgens den graad en erfde het naaste bloed.

Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid, beschreven bij Huge de Groot. Met aanteekeningen van S.J. Fockema Andreau, deel II, Arnhem 1895.
Pagina 105-106\;

Boek II. Deel 28.
De rang van erfopvolging naar aasdomsrecht is de volgende: 1. Kinderen, met uitsluiting van kindskinderen, 2. Kindskinderen, met uitsluiting van achter-kleinkinderen, en zoo verder in de nederdalende lijn, 3. Ouders of langstlevende, met uitsluiting van grootouders, 4. Grootouders bij hoofden, 5. De naaste zijmagen, weer met dien verstande, datnallen, die even na zijn, gelijke deelen erven en de nadere de verdere uitsluiten. Zoo erven dus voor gelijke deelen b.b. heele en halve broeders en zusters, een oom- en een broederskind van den overledene. Zooals de Groot dus terecht zegt, de neerdalende lijn komt voor de opgaande en deze voor de zijlijn, terwijl in elke lijn de naaste erft.
De hoofdtrekken van dit aasdomsrecht vinden wij terug in Gelderland en Utrecht. Voor Gelderland zijn in deze te raadplegen…. Dat van Veluwe 1593 a. 251, 1604 C. 31…Dan komen alle hierin overeen, dat zij doen erven eerst de descendenten, dan de adscendenten en eindelijk die zijmagen; en ook hierin, dat zij heele en halve broers en zusters te gelijker deelinge roepen. Dit laatste wordt in de Veluwsche landrechten als “van olts gewoonlick”voorgesteld; in beide, zoowel als in het concept van 1565 wordt na de regeling der rangorde gezegd “doch alletyt de naeste in den bloede syn oeck die naeste in dem guede”. Ook het oudste stadsrecht van Zwolle a. 209 kent geene plaatsvervulling (vgl. Vollenhove I. 272) en stelt zijmagen van heelen en halven bedde voor het erfrecht op ééne lijn.

Samenvattend: uit de rekening in het scheepssoldijboek van Thomas Schrijvers kan men concluderen, dat ouders en grootouders niet meer in leven waren. Van de zijlijn waren de enige erfgenamen ab intestato de broers Jan en Peter Schrijver. Men kan verder concluderen dat hun halfzus Jannetje Schrijver naar alle waarschijnlijkheid niet meer in leven was, anders was zij "te gelijker deling geroepen" .
Ik houd nog een kleine slag om de arm dat volle broers volgens het Veluws landrecht "nader in het bloed" werden beschouwd als halfzussen en halfbroers, maar gezien bovenstaande uittreksels is dat m.i. niet van toepassing. Jannetje Schrijver was dus vóór 1746 overleden.

Michiel van Heumen
BerichtenCOLON 281
GeregistreerdCOLON 26 Jan 2026, 18:51

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Michiel van Heumen » 27 Sep 2026, 21:23

edit
bericht van vanmorgen fundamenteel gewijzigd + hier toevoegingen uit het proefschrift van Berns

J.L. Berns, Het landrecht van Veluwe en Veluwezoom van 1593; op nieuw uitgegeven en van aanteekeningen voorzien, academisch proefschrift Leiden 1884 (Google Books)

Pagina 98:

Ontwerp van 1565

184. Item wanneer ijemandt affsterfft ,
so sullen tot sijnen naegelaten guederen
succedieren die descendenten und gebreck
derer so sullen succedieren die opgaende
linien , die naeste syn und indien derer
noch geen voerhanden weren , so sullen
die in den tijdt vallen totter successien
geroepen werden. Doch alletijt die naeste
in den bloede sijn oeck die naeste in dem
guede . In allet vuytgesondert und voerbehalden
, dat die halffbroeders und halffsusteren
mit den vollen broeders und susteren
tot eenige derselffter achtergelaten
guederen tot gelijcker deilonge sullen admitteert
und toegalaten werden , als sulcx
van alt gewoentlick und dat die constitutio
van kintskinderen in plaetse oerer olderen
to succedieren in sijnen volcoemenen effect
verblijven.

’t Landrecht van 1593:

253. Und , indien daer oick geen
voerhanden weren , so sullen de
collateralen off sydtmagen tot de
successie des afgesturvenen geroepen
warden . Doch also dat de naesten
in den bloede , oick sullen syn
de naesten tot den guide

254. Waelverstaende , dat de halve
broeders und susters mit den vollen
broederen und susteren , tot derselver
overleden halver und voller broeders
off susters achtergelaten guider , tho
gelyker deilungh sullen geadmittiert
warden , wie sulx van olts gewoenlick.

Kortom, als Jannetje Schrijver in 1745 nog had geleefd, had ze als erfgename van Thomas Schrijver in de administratie van de VOC vermeld moeten worden.

Janny Lalkens
BerichtenCOLON 2849
GeregistreerdCOLON 10 Jan 2006, 00:00

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Janny Lalkens » 28 Sep 2026, 00:31

Michiel schreef:

Ook het oudste stadsrecht van Zwolle a. 209 kent geene plaatsvervulling (vgl. Vollenhove I. 272) en stelt zijmagen van heelen en halven bedde voor het erfrecht op ééne lijn. Einde citaat.

Compendium van het Overijssels recht vóór 1811 door E. D. Eijken, 2003/2006 posthuum uitgegeven en bezorgd door P. Brood en Js. Mooijweer nadat Mr. Eijken door een ongeval omkwam:


Blz. 453 met in de kanttekeningen veel verwijzingen naar De Blécourt: " Zo was de rangorde in Steenwijk en in Zwolle omstreeks 1400 enz. .....Halfbroers en -zussen erfden hier gelijk op met de andere kinderen." Daarna beschrijving van het aasdomsrecht. Bijv. dat vrouwen gelijk erfden aan mannen. In het zuiden van Holland en in Zeeland golden wat sommige situaties betreft andere regels.
Bij het aasdomsrecht erfden de kinderen van een overleden ouder niet van hun grootouder. Zij kwamen toen niet in de plaats van hun overleden vader of moeder. Later, in de loop van de 16e eeuw, wel, toen had je de representatie of ook wel plaatsvervulling genoemd. Zie ook Eijken blz. 454.

Representatie gold toen ook voor de zijlijn, dus voor nakomelingen van broers en zusters van de erflater, tot in het oneindige. Invoering in Overijssel na 1500. Stukje bij beetje, in opeenvolgende jaren.

Michiel van Heumen
BerichtenCOLON 281
GeregistreerdCOLON 26 Jan 2026, 18:51

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Michiel van Heumen » 28 Sep 2026, 08:39

Ja, dat boek van Eijken, ik was het tegengekomen, maar heb er geen toegang toe. Er moet natuurlijk nogal wat praktische kennis op dit gebied zijn onder de bezoekers van dit forum.

Oldebroek, 't ligt niet ver van Zwolle, maar vroeger Gelders en er gold het landrecht van Veluwe.

Moeilijk onderwerp om te vinden wat je zoekt. Veel moderne literatuur is nog niet direct toegankelijk. Slagen om de arm houden bij zoeken met AI.

Recht is voortdurend in verandering. Vroeger natuurlijk ook al.

Ik begrijp nu ook dat plaatsvervulling geleidelijk overal werd ingevoerd. Op dit punt -representatie of plaatsvervulling- een verschil met het landrecht van Veluwe uit 16e eeuw.

Overeind blijft m.i. dat Jannetje Schrijver als ze in 1745 nog leefde, als mede-erfgenaam genoemd had moeten worden. Tenzij iemand aan de hand van de praktijk op de Veluwe anders kan bewijzen.

Janny Lalkens
BerichtenCOLON 2849
GeregistreerdCOLON 10 Jan 2006, 00:00

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Janny Lalkens » 28 Sep 2026, 14:15

Hoe het op de Veluw was geregeld, weet ik niet. Maar de indruk is dat door de invoering van de representatie de regels van vererven wel royaler werden. Bijv. dat je van grootouders min of meer moest mee erven als je vader of moeder, kind van die grootouders, was overleden. Maar rond 1400 was het dus al normaal dat de broers en zussen van halve bedde mee erfden, gelijk op, met de kinderen van hele bedde. Dus de zijlijn.

Voor mij geldt altijd heel erg, dat hoe meer aktes/testamenten je in een bepaalde periode uit een bepaalde regio leest, een indruk geven van wat toen op dat moment daar gebruikelijk was.

ria jongman
BerichtenCOLON 3907
GeregistreerdCOLON 14 Okt 2021, 19:30

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door ria jongman » 29 Sep 2026, 09:56

Is er niets te vinden over Evert Schrijver, die overleden is tussen nov 1737 en febr 1738?
Zijn moeder en zus [indien ze nog leeft] zouden erfgenaam zijn.

Michiel van Heumen
BerichtenCOLON 281
GeregistreerdCOLON 26 Jan 2026, 18:51

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Michiel van Heumen » 29 Sep 2026, 11:09

Deze akte is opgemaakt na het overlijden van Evert Schrijver:

FS Oldebroek Rechterlijke registers 1666-1745
Idem scan 318 van 420
Compareerde voor mij Reinier Otto Schrassert verw. Richter van Oldebroeck en onderbenoemde gerichtsluiden Willemtjen Jans wed.we van Peter Schrijver, moeder en erfgenaam van Evert Schrijver zaliger, geassisteert met Hendrick Hermsen Vinke, die na de Lantrecht van Veluwe heeft verburgt het erf- en sterfhuis van voornoemde overledene, om te voldoen een redelijk testament, bewijsbare schulden en of iemand binnen jaar en dag kwam die nader of mede erfgenaam mocht zijn met de persoon vah Hendrick Hermsen Vinke, die present zijnde, die borgtocht aangenomen en zijn persoon en goederen verbonden heeft gelijk recht is..zijnde hiervan en over als gerichtsluiden Willem Vincke en Berent Dijck,in waarheid oorkonde heb ik verw. Richter deze getekend en met mijn cachet bekrachtigd op de 27e februari 1738 (onderstond) R.O. Schrassert verw.r Richter van Oldebroeck en was onder gecacheteert in rood lak.

Ajs Jannetje toen nog leefde, was ze minderjarig (nog geen 18 jaar). Maar niet in die akte vermeld.
Ik houd het erop dat ze al overleden was.

Misschien is er nog met betrekking tot het overlijden van Evert Schrijver iets te vinden bij het Noord-Veluws Archief in toegang 2001 Richters in het Richterambt Oldebroek, 1564-1821, en wel in de navolgende inventarisnummers:

216 Akten van boedelscheiding, 1705-1785. 1 omslag
217 Minuten van akten van voornamelijk boedelscheiding, 1708-1789. 1 omslag
219 Boedelinventarissen en rekeningen, 1675-1949. 1 pak
243 Akten van borgstelling bij erf- en sterfhuizen, 1706-1779. 1 pak
256 Akten van borgstelling bij voogdij, 17061755. 1 pak

Helaas zijn deze documenten niet verfilmd op FS beschikbaar en heb ik er dus geen toegang toe.

Er is ook nog de attestatie van de broers Jan en Peter Schrijver na het overlijden van hun broer, de VOC soldaat, Thomas Schrijver, voor de richter van Oldebroek d.d. 24 april 1745, maar of die in minuut bewaard is gebleven...?

ria jongman
BerichtenCOLON 3907
GeregistreerdCOLON 14 Okt 2021, 19:30

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door ria jongman » 29 Sep 2026, 16:57

Ja, daar kwam ik ook achter dat er best veel nog niet op internet staat betr. Oldebroek.
Helaas.

Michiel van Heumen
BerichtenCOLON 281
GeregistreerdCOLON 26 Jan 2026, 18:51

Re: Doop Joanna Schrijver te Zwolle periode 1720-1730

Bericht door Michiel van Heumen » 02 Okt 2026, 10:45

Er staat nog wel iets op internet betreffende Oldebroek.

Er blijkt dat Jan Schrijver in 1738 een hofstede koopt in het dorp [Oldebroek] van Jannis Brouwer Smit en vrouw. Hij verplicht zich daarvoor in april 1739 een schuldbekentenis uit 1734 van vierhonderd gulden door Jannes Brouwer en zijn vrouw Jakomina Arents aan rademaker Gerrit Koertsen en diens vrouw Jannighjen Hendricks, te betalen. Deze lening is uiteindelijk in februari 1761 afgelost.

Eind augustus 1741 laat Gerrit Coertsen door de onderschout beslag leggen op de roerende en onroerende goederen van het echtpaar Jan Schrijver en Henrickjen Jacobs van Cleeff. Dit beslag dient om betaling te krijgen van een hoofdsom van vierhonderd Carolusgulden conform een obligatie die op 21 april 1739 is opgsteld. De lening is inmiddels aan hen opgezegd. Het beslag dat onderschout Barent Dijck legt op de onroerende goederen is gebeurt in bijzijn van twee gerichtsluiden, te weten Henrick Hermsen Vincke en Willem Vincke. [De laatste is de gerichtsdienaar van Oldebroek]

Vermoedelijk is deze 'panding' de oorzaak van het conflict tussen Gerrit Coertsen en Jan Schrijver in 1743, waarbij zij het letterlijk met elkaar aan de stok krijgen. Jan Schrijver moet opdraaien voor alle gemaakte kosten van de beslaglegging.

Evert Jansen Schriever (Schrijver), zoon van Jan Schrijver, is in 1778 eigenaar geworden van de hofstede in het dorp en blijkt deze in 1811 nog in bezit te hebben.


Hier volgen de akten en uitleg.

FS Oldebroek/Verpondingskohieren, 1546-1811
Gelders Archief, toegang 0012 Gelderse Rekenkamer, invnr 1364: Tijnsboek Oldebroek 1706-1754
Verpondingskohieren bk. 1364 1706-1754


Scan 17 Folio 12recto
Jacob Cornelissen op den hogenbrinck 1736
Jacob Henricksen schoenmaker 1723
Item Hendrick Jacosen Schoenmr int Oldebroeck
Geerft van Jacob Dircx Soenen van een hoffstede in’t Dorp
-1-8
:-: -14 III d gb
Manet IIII d
1706.7.8. t/m 1754
Jan Schrijver in ’t Oldebroek
Jannis Brouwer Smit in t Oldebroek neemt van de bovenstaende post van Jacob Schoenmaker wegens d’hoffstede ---III d
:-:-10
33.34.35. t/m 1754

Idem Verpondingskohieren bk. 1380 1785-1811
Gelders Archief, toegang 0012, archief Gelderse Rekenkamer, invnr 1380: Tijnsboek Oldebroek 1785-1811


Scan 18 Folio 12recto
Everd Jansen Schriever 1778.
Jan Schrieffer 1758.
Jan Cornelissen op den Hogenbrink 1736
Jacob Hendriksen Schoenmaker 1723.
Item Hendrik Jacobs Schoemr in ’t Olden-
broek geërft van Jacob Dirks Schoem=r
van een Hofsteede in ’t Dorp VI d
:-1-8
“- : -14 manet VII d
1760.91.92. t/m 1811
nr 1979

Evert Jansen Schriever 1778
Jan Schrijver in ’t Oldebroek 1738
Jannis Brouwer Smit in ’t Oldebroek neemt
van bovenstaande post van Jacob Schoen-
maker wegens d’Hoffsteede
:-:-10 III d
1790.91.92 t/m 1811
Nr 1980

Oldebroek. Protocol van bezwaar. Bk. 48 1666-1745 (FS) Film 885513 DGS 8983554
Afbeelding 292 van 420

Wij Jannes Brouwer en Jakomina Arents in desen soo nodig geassisteert met mijn voorn. man mij hiertoe verkoren momber beknnen opreghtelick en deugdelick schuldigh te wesen wegens verstrekte en bij ons tergenoege ontfangene penningen aen Gerrit Koertsen en Jannighjen Hendricks Coops Echteluijden en haire Erffgenaemen een somma van vierhondert Caroli guld: belovende van de selve jaarlicks en alle jaire te verrenten vier gelijcke guldens…Eodgh is wel expres over een gekomen, dat wij de debiteuren het voorn. Cappitael ’s jaerlicks sullen mogen verminderen met hondert gulden; …en tot meerder corrobaratie en securiteit van de crediteuren is hier voor vern. Somme van vierhondert guldens en verlooppene intressen burge geworden Jan Groen, om in cas van noot daer alle schaede en interesse op toe kunnen verhaelen… In waerheijt Oirconde hebben wij debiteuren als principaelen en Jan Groen als borge deses onder argh off list met onse handen onderteeckent. Geschiet int Oldebroeck op den vijffden augustus 1700 vier en dartigh. (:onderstonde😊 Johannes Brouwer + dit is Jacomijn Mercks
Dese obligatie is geprotocolleert den 15 april 1735
[in margine] dese tegenstaande obligatie is door mij onders. gerojeert vermits Gerrit Coertsen bekent daar van voldaan te sijn. Datum Oldebroek den 23 Febr 1761 B. Dijk secretaris vant Oldebroek

Afbeelding 347 van 420
Bekenne wij ondergeschreven Jan Schrijver en Hendrickjen Jacobs Eheluiden opregt en suiver schuldigh te zijn aan Gerrit Coertsen en Jannighjen Hendriks Echteluiden een somma van vierhondert Car. Guldens gesproten uijt den coopspenningen van ’t Huijs bij ons van Johannes Brouwer en vrouw gekoft en door haar aen ons gequiteert, ten eijnde wij aen voorschr. Gerrit Coertsen en vrouw de bovengemelde summa soude opleggen en voor hun betalen een seekere obligatie den 5 aug: 1734 gepasseert die door desen werd verrigtigt en ook in onse presentie aan Johannes Brouwer weder is overgegeven, Belovende wij onderschreven dese vierhondert guldens selffs schuldigh te zijn aan gemelte Gerrit Coertsen en Jannigjen Hendricks Echteluiden en haar Erven en daar van des ’s jaers tot interesse van yder hondert gulden te betaelen vier gl: tot effective off losse toe, die alle Jaer sall mogen en moeten geschiedenis, mits de opsage een vierendeels Jaars voor den verschijnsdagh gedaan zijn, tot nacominge van alles en securiteit van voorschr. Capitaal en rente verbinden wij onsen personen, Erven en goederen met substitutie aan ’t Hoff van Gelderland en alle andre Gerichten, onde rrenuntiatie van alle uytvlugten en bedenckelijcke Exceptien. Des t Oirconde is dese bij ons selff geteeckent in Oldebroeck op den 21 april 1739 (:onderstonde : ) Jan Schrijver Hendrickjen van Cleeff
Registr: den 28 aug: 1741
[in margine] dese obligatie ten versoeke van Gerrit Coerts door mij onders. gerojeert, vermits den selven daarvan bekent voldaan te sijn. Datum Oldebroek den 23 Febr. 1761 B. Dijk secretaris vant Oldebroek

Afbeelding 348 van 420
Memorie voor Berent Dijck onderscholt des Richter Ampts Oldebroeck
Om met consent van den Hoogh Wel Geboren Gestrengen Heere Richter offte de Heere Verw:r Richter des Rigter Ampts voorn. ter instantie van Gerrit Coertsen te peijnden op en aan alle de gerede goederen en bij insufficantse van dien ten overstaan van twee Geerfde Gerigtsluiden op de ongerede goedereen van Jan Schrijver en Henrickjen Jacobs van Cleeff Echteluiden in specie mede op haar huijs en Hoff in den Richter Ampts gemelt kennelijk staande en gelegen, en bij bepeijndens selfs bewoont en gebruijckt wordende; Ten eijnde om aen die bepeijnde Effecten te verhaelen en betalinge te erlangen van vier hondert Carolij guldens Capitaals met de Rente bij de voldoeninge des Capitaals vervallen, vermogens Obligatie op den 21 april 1739 gepasseert en bij bepeijndens selfs geteekent en aan voorschreven debiteuren opgesegt, immers en in omnem eventum, om daer van betalinge te hebben tegens de eerstcomende verschijnsdagh, waertoe als dan de opsage al nogh gedaen werd bij desen alles te meer om dat bepeijndens haere goederen beswaren en asloo sig in desen op doet percul in mora, Edogt alles ter goeder reekening ende in cas van onvermoedelijcke oppositie ten daege dienende quovis melior modo nader en Ampelder te deduceren en te verifiaren cum Expensis.
Ick ondergeschr:n Richter van Oldebroek Qualificere en authorisere mits desen Baren Dijck onderscholt om dese peijndinge te doen en wel ten overstaan van twee geerffde Gerichtsluiiden ten aensien van het ongerede mits van alles relaterende nae behoiren. Actum den 29 aug: 1741
(:onderstonden )
G.C. Bentingh als Richter van het Oldebroeck
Comp: Barent Dijck Onderscholt en relateere de peijndinge op en aan de gerede en ongerede goederen in specie Huijs en Hoff van Jan Schrijver en Vrouw op gisteren gedaan te hebben en wel ten overstaen van twee geerffde Gerichtsluiden Henrick Hermsen Vincke en Willem Vincke ten aensien van het Ongerede; die ten dien eijnde dese acte mede geteekent en gesegelt hebben den 30 Aug: 1741 (: onderstonde : )
R.O. Schrassert V.r Richter van Oldebroeck
Hendrick Harmsen Vincke , Willem Vincke
en was ondersegelt met drie segelen
Compareerde Gerrit Coertsen welcke opbodinge van t bepeijnde gerede pand versogt, oordelen bestadet , pand geveijlt en Coop geboden heefft die gewesen is tot de wethe in conformit van het Lantr. Van Veluwe Cap. 13. Art. 1. Gedaen voor mij Verw:r Richter en Gerichtsluiden Henrick Harmsen Vincke en Willem Vincke op den 30 Aug: 1741
(onderstonden )
Reinier Otto Schrassert V:r Richter van Oldebroeck, H. Harms Vinck, Willem Vinck
(leger stonde)
Hier van de wete gedaan door mij onderschreven volgens het gerede voorhooffs van Jan Schrijver op den 30 Aug: 1741 (: onderstonde)
Barent Dijk Onderscholt

Memorie voor Berend Dijk, onderschout van het Richterambt Oldebroek
Om met toestemming van de hoogwelgeboren, gestrenge heer richter (of de heer plaatsvervangend richter) van het genoemde richterambt, op verzoek van Gerrit Coertsen beslag te leggen op alle roerende goederen van het echtpaar Jan Schrijver en Henrickjen Jacobs van Cleeff. Mocht dit onvoldoende zijn, dan dient er in het bijzijn van twee gerichtsluiden beslag te worden gelegd op hun onroerende goederen, in het bijzonder op hun huis en erf dat in het genoemde richterambt ligt en momenteel door de schuldenaren zelf wordt bewoond en gebruikt.
Dit beslag dient om via deze goederen betaling te krijgen van een hoofdsom van 400 carolusguldens, inclusief de opgelopen rente tot aan de dag van algehele aflossing. Dit is conform een obligatie (schuldbekentenis) die op 21 april 1739 is opgesteld en door de schuldenaren zelf is ondertekend. De lening is inmiddels aan hen opgezegd. Mocht dit onverhoopt nog niet juridisch sluitend zijn gebeurd, dan geldt dit document tevens als de officiële opzegging tegen de eerstvolgende vervaldatum. Dit is des te dringender omdat de schuldenaren hun bezittingen bezwaren, waardoor er direct gevaar bij uitstel (periculum in mora) dreigt. Dit alles is onder voorbehoud van een definitieve afrekening. In het geval van onverwacht protest van de tegenpartij, zal de eis op de rechtszitting op een betere en uitgebreidere wijze worden onderbouwd en bewezen, inclusief een eis tot vergoeding van de proceskosten.
Ik, de ondergetekende richter van Oldebroek, machtig en autoriseer hierbij onderschout Berend Dijk om dit beslag te leggen. Voor het beslag op onroerende goederen moet dit gebeuren in het bijzijn van twee gerichtsluiden, waarna van de hele procedure naar behoren verslag moet worden uitgebracht.
Gedaan op 29 augustus 1741.
(w.g.) G.C. Bentingh, als richter van Oldebroek

Verschenen is Barent Dijk, onderschout, die rapporteert dat hij gisteren [op 29 augustus 1741] beslag heeft gelegd op de roerende en onroerende goederen, in het bijzonder op het huis en erf van Jan Schrijver en zijn vrouw. Wat betreft de onroerende goederen is dit gebeurd in het bijzijn van twee gerichtsluiden te weten Henrick Hermsen Vincke en Willem Vincke. Zij hebben dit document hiertoe mede ondertekend en bezegeld op 30 augustus 1741.
(w.g.) R.O. Schrassert, plaatsvervangend richter van Oldebroek
Hendrick Harmsen Vincke, Willem Vincke
(en het document was voorzien van drie lakzegels)

Verschenen is Gerrit Coertsen, die verzocht om de openbare aankondiging (opboding) van de in beslag genomen roerende goederen (gerede pand). De rechtbank heeft dit verzoek goedgekeurd (oordelen bestadet), waarna de goederen publiekelijk zijn geveild (geveijlt) en er een koopbod op is uitgebracht (Coop geboden heefft). Deze procedure is vervolgens verwezen naar de wettelijke wachttermijn (gewesen is tot de wethe), geheel in overeenstemming met het Landrecht van de Veluwe, hoofdstuk 13, artikel 1.
Gedaan ten overstaan van mij, plaatsvervangend richter, en de gerichtsreiders Henrick Harmsen Vincke en Willem Vincke op 30 augustus 1741.
(ondertekend door)
Reinier Otto Schrassert, plaatsvervangend richter van Oldebroek, H. Harms Vinck, Willem Vinck.

(onderaan de pagina stond geschreven:)
De officiële bekendmaking (wete) hiervan is door mij, de ondergetekende, gedaan aan de voorzijde van het huis (het gerede voorhoofd) van Jan Schrijver op 30 augustus 1741.
(ondertekend door)
Berend Dijk, onderschout


Toegang 2001 Richters in het richterambt Oldebroek, 1564-1811
Invnr 130 Minuten van akten van civiele rechtspraak, 1740-1749

27 september 1743
......... v. R.
contra
G. Coerts en Jan Schrijver beclaagde
J. Schrijver seit, dat mede beclaagde is geweest auteur
van ´t geregt
Dat G. Coerts aen ´t huijs van mede beclaagde
gescholden en uijtgeeijscht heeft, sub A.
Dat beclaagde meester in sijn huijs is
Dat beclaagde sulx oock met ede præsenteert te
verclaren. Contendeert tot absolutie en dat
mede beclaagde in de dubbele boete
art. 3 ref. alwaer heeft laeten liegen
................
G. Coertsen seit, dat Jan
Schrijver tot die condschap
waer op een slag past.
[15v] Dat selfs confesseert dat eerst geslagen
heeft. Sub A artikel 3 verder

Er heeft een ruzie plaatsgevonden tussen G. Coerts en Jan Schrijver. Volgens Schrijver is Coerts de aanstichter van de ordeverstoring. Schrijver zegt dat Coerts bij hem aan huis heeft staan schelden en hem heeft uitgedaagd. Hij benadrukt dat hijzelf de baas in zijn eigen huis is. Hij biedt aan om deze verklaring onder ede te bevestigen. Schrijver eist vrijspraak voor zichzelf en dat zijn mede-beklaagde wordt veroordeeld tot een dubbele boete, omdat deze de boel heeft voorgelogen. G. Coertsen verklaart daarentegen dat Jan Schrijver degene is die aanzet gaf tot de getuigenis, welke getuigenis eigenlijk slaag verdient. Coerts stelt dat Schrijver zelfs heeft bekend dat hij degene is geweest die de eerste klap heeft uitgedeeld.

1743?
90] In sake van Gerrit Coertsen pandeijsser
ter eenre en Jan Schrijver pandverweerder
ter andere zijden, ‘T Gericht gehoord
hebbende ál ‘t geene parthijen ten
aansien van de costen der gedane peijn-
dinge en vervolg van dien
hebben doen allegeren en gelet, dat
geen pandkeringe tegens die bepeijnde intra
terminum is gedaen, voorts waer op in desen
eenigsints te letten stonde doende
recht, rejecteert de exceptie van præmaturiteit,
exces et plus patitionis en condemneert Jan Schrijver
om die selve costen aen pandeijsser te
betalen tot taxatie en moderatie
van de Gerichte. Den selven Jan
Schrijver mede condemnerende in de
costen deser procedure insgelijcx tot taxatie en
moderatie van desen Gerichte

Het betreft een financieel geschil tussen Gerrit Coertsen en Jan Schrijver. Coertsen heeft beslag laten leggen op goederen van Jan Schrijver om een schuld op te eisen, en Schrijver moet nu opdraaien voor alle gemaakte kosten.
[Pagina 90] In de zaak van Gerrit Coertsen, eiser tot beslaglegging (pandeiser), aan de ene kant, en Jan Schrijver, verweerder tegen beslaglegging (pandverweerder), aan de andere kant:
Nadat het Gerecht alles heeft gehoord wat partijen naar voren hebben gebracht (doen allegeren) over de kosten van de uitgevoerde beslaglegging (peijndinge) en de juridische vervolgstappen daarvan, en nadat het Gerecht heeft vastgesteld dat er binnen de wettelijke termijn (intra terminum) geen verzet (pandkering) is aangetekend tegen de beslaglegging, en na weging van alles wat in deze zaak verder van belang is;
Spreekt het Gerecht recht:
Het Gerecht wijst de bezwaren (excepties) van Jan Schrijver af waarin hij beweerde dat de procedure te vroeg is gestart (præmaturiteit) en dat er te veel is geëist (exces en plus-petitio).
Het Gerecht veroordeelt (condemneert) Jan Schrijver om deze kosten van de beslaglegging aan de eiser [Gerrit Coertsen] te betalen. De exacte hoogte hiervan zal door het Gerecht nader worden vastgesteld en redelijk worden begroot (taxatie en moderatie).
Daarnaast wordt Jan Schrijver veroordeeld in de kosten van deze huidige rechtszaak (de proceskosten), welke eveneens door dit Gerecht nader zullen worden begroot.


1743?
[98] ‘T Gericht gehoord hebbende de clagte van
den heer verwalter Rigter nomine officii clager
ter eenre op en tegens Gerrit Coertsen en
Jan Schrijver beclaagdens ter andere sijden,
Ter oirsake quæstie gehad hebben en met een
stok geslagen is, en gelet wat beclaagdens
tot hare defensie hinc inde tegens malcander
hebben doen allegeren als mede op de
præsentatie van ede van Jan Schrijver doende recht ab-
solveert Jan Schrijver en condemneert
Gerrit Coertsen in 2 heeren ponden.

[Pagina 98] Het Gerecht heeft de klacht gehoord van de heer waarnemend rechter (verwalter richter) in zijn ambtelijke hoedanigheid (nomine officii) als eiser aan de ene kant, tegenover Gerrit Coertsen en Jan Schrijver, beklaagden aan de andere kant;
Dit vanwege het feit dat zij ruzie (een quæstie) hebben gehad waarbij er met een stok is geslagen.
Gelet op wat de beklaagden over en weer (hinc inde) tot hun verdediging tegen elkaar naar voren hebben gebracht, en tevens gelet op het aanbod van Jan Schrijver om zijn verklaring onder ede te bevestigen;
Spreekt het Gerecht recht:
Het Gerecht spreekt Jan Schrijver vrij (absolveert) en veroordeelt (condemneert) Gerrit Coertsen tot een boete van 2 herenponden.
Laatst gewijzigd door 1 op Michiel van Heumen, in totaal 2 keer gewijzigd.

BUTTON_POST_REPLY